BEHANDELTRAJECT2018-03-21T13:30:55+00:00

Behandeltraject

Tijdens het eerste onderzoek zal aan de hand van de ingevulde vragenlijst uw algemene lichamelijke conditie worden besproken.

Aan de hand van het mondonderzoek en röntgenfoto’s beoordeelt de implantoloog uw kaakbreedte en kaakhoogte. Er wordt bekeken welk implantaat geschikt is, hoeveel implantaten er nodig zijn en welke constructie kan worden gemaakt.

Vervolgens wordt informatie gegeven over de bevindingen en wordt de planning voor een eventuele behandeling of meerdere behandelopties opgesteld en besproken. Een begroting van de kosten wordt gemaakt.

Uw tandarts ontvangt een verslag van de bevindingen en het behandelplan, in kopie naar u.

Indien er tot implantologische behandeling wordt overgegaan worden in sommige gevallen afdrukken van het gebit gemaakt, ten behoeve van gebitsmodellen. Deze studiemodellen worden gebruikt voor het maken van uitgebreide behandelplannen.

Ook kunnen deze gebruik worden voor het vervaardigen van een plaatje (tijdelijke partiële prothese t.v.v. een element in de lachlijn) en/of wordt op de gebitsmodellen een boormal vervaardigd die als geleider dient voor het plaatsen van implantaten.

Voor aanvang van de implantologie behandeling kan het maken van een driedimensionale röntgenopname (CBCT / CT scan) noodzakelijk zijn voor de planning.

Een CBCT scan geeft nauwkeurige informatie over het gebied waar de implantaten geplaatst moeten worden zoals de dikte en hoogte van het bot en de afstand tot de sinus (bovenkaak) of de zenuw (onderkaak) waardoor de implantoloog vooraf de breedte, lengte en inzetrichting van het implantaat kan bepalen.

Ook kan vooraf worden bepaald of er opbouw van het bot nodig is. Blijkt er voldoende bot aanwezig dan kan direct worden geïmplanteerd.

Blijkt er onvoldoende bot aanwezig dan kan een botopbouwende ingreep noodzakelijk zijn.  Dit kan op twee manieren worden gedaan.

TIJDENS de implantologie behandeling waarbij tegelijk met het plaatsen van het implantaat botmateriaal wordt aangebracht;

VOOR de implantologie behandeling waarbij EERST een aparte botopbouw wordt gedaan. Hierbij wordt botmateriaal aangebracht waarna de botcellen de ruimte en tijd krijgen om tussen de korrels nieuw bot te vormen. Na in-helen (6 tot 9 maanden) kan worden gestart met implanteren.

Implanteren gebeurd onder lokale verdoving, in de meeste gevallen valt de napijn na een implantologie behandeling erg mee, eventuele napijn is met eenvoudige pijnstillers goed te onderdrukken.

Na verdoven wordt het tandvlees losgemaakt zodat het kaakbot zichtbaar wordt. In het kaakbot wordt vervolgens een gaatje geboord tot op de juiste lengte van het implantaat, daarna wordt met een steeds dikker boortje het gaatje opgeboord tot de juiste dikte van het implantaat.

Het implantaat is een titanium schroefje dat vervolgens in het voorgeboorde gaatje wordt aangebracht. In het implantaat zit een inwendig schroefdraad waarin een plat afdekschroefje (2-fase techniek) of een hoog schroefje (1-fase techniek) kan worden geschroefd.

Na het aanbrengen van een implantaat volgt een ingroeifase van gemiddeld 2 tot 6 maanden. Het bot groeit in deze fase op en rond het implantaat vast. De implantaten mogen in deze periode niet worden belast.

Ligt het implantaat in de lachlijn dan kunt u een tijdelijke voorziening krijgen in de vorm van een noodkroon of een kunststof prothese (plaatje met één of meerdere elementen). Hierover wordt voor aanvang van de ingreep geïnformeerd.

Tijdens het implanteren kan aan de hand van verschillende factoren zoals o.a. stabiliteit, botkwaliteit etc. worden besloten voor 2-fase techniek. Dit betekend dat een kleine tweede ingreep noodzakelijk is.

Bij de 2-fase techniek wordt na het implanteren een LAAG afdekschroefje geplaatst, het tandvlees wordt daarna over het dopje heen gehecht. Na genezing van het tandvlees en verloop van de ingroeifase (gemiddeld 2 tot 6 maanden) volgt een korte, tweede behandeling.

Hierbij wordt, door middel van een klein sneetje in het tandvlees, het implantaat opgezocht, het afdekschroefje vervangen door een hoger schroefje dat door het tandvlees steekt en het tandvlees wordt om het dopje heen gehecht.

Na genezing van het tandvlees en verloop van een tweede ingroeifase (± 1 maand) kan de suprastructuur (implantaat opbouw zoals kroon, brug of prothese) worden vervaardigd.

Na een laatste controle bij de implantoloog krijgt u groen licht om de suprastructuur (kroon, een brug of een prothese)te laten vervaardigen. Het implantaat kan nu voldoende houvast kan bieden en inmiddels weet u hoe u het implantaat goed schoon kunt houden.

De suprastructuur wordt doorgaans vervaardigd door uw eigen tandarts, soms wordt dit (in overleg) door de implantoloog van het CPI Amsterdam gedaan.

Een maand na plaatsing van de suprastructuur wil de implantoloog u graag terug zien voor controle.

Evenals natuurlijke tanden hebben ook implantaten regelmatige controles en een goede mondhygiëne nodig. Met de juiste verzorging draagt u bij tot het duurzame behoud van uw implantaten.

Gezond houden van uw tandvlees is daarbij van een zeer groot belang. Gezond tandvlees betekent dat er niet of nauwelijks kans is op de ontwikkeling van peri-implantitis (ontsteking van het tandvlees met botverlies rond een implantaat).

Afhankelijk van de wensen en mogelijkheden kan de noodzakelijke nazorg worden uitgevoerd door uw tandarts, uw eigen mondhygiëniste of bij het CPI Amsterdam.

De implantoloog ziet u graag na een jaar nog een keer terug voor controle.